‘Zoals jullie hebben gemerkt ligt mama de laatste tijd heel veel op bed. En omdat ze zo moe is, is mama even een tijdje ergens anders, in een hotel waar ze even tot rust komt.’

Dat moeten ongeveer de woorden van mijn man geweest zijn toen hij aan de kinderen vertelde dat ik weg was. Ik vermoed dat ik op het moment dat hij dit vertelde zat te huilen. En niet op een hotelkamer. Ik had me die ochtend laten opnemen op een ‘open afdeling’ van een psychiatrisch centrum in mijn woonplaats.

'Ik vermoed dat ik op het moment dat hij dit vertelde zat te huilen.'

Overspannen

Mijn kinderen, mijn collega’s, mijn familie en vrienden wisten dat het niet goed met me ging. Ik was ziek gemeld op het werk en ik was eerlijk over de oorzaak: ik was overspannen. En hoewel ik aan álles voelde dat er meer aan de hand was dan dat ik aan een ‘simpele’ overspannenheid, hield ik het daar wel op. Een overspannenheid zou wel worden geaccepteerd, zeker gezien de verschillende grote gebeurtenissen die ik heb meegemaakt in het afgelopen jaar. Dat ik eigenlijk niet meer wilde afspreken, mezelf afzonderde van het gezin en dus steeds meer in bed ging liggen vond dan ook niemand zorgwekkend. Ik zelf ook niet. Ik was gewoon moe.

De psycholoog waar ik terecht kon nam alleen andere woorden in zijn mond dan ‘overspannen’ of ‘burnout’. Zei hij de eerste keer nog ‘depressieve kenmerken’, de keer erna werd er door hem al gesproken over een depressie. Maar gezien dat wel iets héél psychiatrisch was in mijn ogen, ging dat verder niemand wat aan. Ik merkte dat ik achteruit ging. Ik besprak niets met mijn kinderen en het enige wat ik mijn man hoorde zeggen was: ‘Laat mama maar met rust, ze is moe’.

‘Laat mama maar met rust, ze is moe.'

Schaamte

Ik was dus opgenomen en schaamde me kapot. Ik deed niet mee aan activiteiten, want ik zag al bekenden uit de buurt die er ook zaten. Als werknemer dan. Ze mochten me niet zien. Ze zouden denken dat ik gek was. En dat was ik niet. Ik was gewoon moe. Bezoek kreeg ik niet. Geen haar op mijn hoofd dat mijn kinderen hier zouden rondlopen! In plaats daarvan bezocht ik mijn gezin thuis.

'In blinde paniek belde ik mijn man...'

Tijdens een van de bezoekuren, bleef ik op ‘de afdeling’. Plotseling hoorde ik: ‘Hallo moeder van M.!’ En daar stond een vriendje van mijn kind die op bezoek was bij een familielid. In blinde paniek belde ik mijn man en hij heeft vervolgens mijn kinderen het eerlijke verhaal verteld. Over de depressie, over de hulp die ik nodig had. De oudste kinderen weten sindsdien wat een depressie is en we spreken er open over. Ze vinden psychische problemen van vriendjes/ kennissen/ anderen inmiddels net zo gewoon als lichamelijke mankementen. Alleen de jongste, toen twee, was het niet uit te leggen. Maar daar had mijn man ook wel een oplossing voor. Als hij dan zei: ‘Mama is…’, schreeuwde zij ‘KOEKOEK!!!’.

Ach. Haar praat ik over een aantal jaar wel bij.

‘Zoals jullie hebben gemerkt ligt mama de laatste tijd heel veel op bed. En omdat ze zo moe is, is mama even een tijdje ergens anders, in een hotel waar ze even tot rust komt.’

Dat moeten ongeveer de woorden van mijn man geweest zijn toen hij aan de kinderen vertelde dat ik weg was. Ik vermoed dat ik op het moment dat hij dit vertelde zat te huilen. En niet op een hotelkamer. Ik had me die ochtend laten opnemen op een ‘open afdeling’ van een psychiatrisch centrum in mijn woonplaats.

‘Ik vermoed dat ik op het moment dat hij dit vertelde zat te huilen.’

Overspannen

Mijn kinderen, mijn collega’s, mijn familie en vrienden wisten dat het niet goed met me ging. Ik was ziek gemeld op het werk en ik was eerlijk over de oorzaak: ik was overspannen. En hoewel ik aan álles voelde dat er meer aan de hand was dan dat ik aan een ‘simpele’ overspannenheid, hield ik het daar wel op. Een overspannenheid zou wel worden geaccepteerd, zeker gezien de verschillende grote gebeurtenissen die ik heb meegemaakt in het afgelopen jaar. Dat ik eigenlijk niet meer wilde afspreken, mezelf afzonderde van het gezin en dus steeds meer in bed ging liggen vond dan ook niemand zorgwekkend. Ik zelf ook niet. Ik was gewoon moe.

De psycholoog waar ik terecht kon nam alleen andere woorden in zijn mond dan ‘overspannen’ of ‘burnout’. Zei hij de eerste keer nog ‘depressieve kenmerken’, de keer erna werd er door hem al gesproken over een depressie. Maar gezien dat wel iets héél psychiatrisch was in mijn ogen, ging dat verder niemand wat aan. Ik merkte dat ik achteruit ging. Ik besprak niets met mijn kinderen en het enige wat ik mijn man hoorde zeggen was: ‘Laat mama maar met rust, ze is moe’.

‘Laat mama maar met rust, ze is moe.’

Schaamte

Ik was dus opgenomen en schaamde me kapot. Ik deed niet mee aan activiteiten, want ik zag al bekenden uit de buurt die er ook zaten. Als werknemer dan. Ze mochten me niet zien. Ze zouden denken dat ik gek was. En dat was ik niet. Ik was gewoon moe. Bezoek kreeg ik niet. Geen haar op mijn hoofd dat mijn kinderen hier zouden rondlopen! In plaats daarvan bezocht ik mijn gezin thuis.

‘In blinde paniek belde ik mijn man…’

Tijdens een van de bezoekuren, bleef ik op ‘de afdeling’. Plotseling hoorde ik: ‘Hallo moeder van M.!’ En daar stond een vriendje van mijn kind die op bezoek was bij een familielid. In blinde paniek belde ik mijn man en hij heeft vervolgens mijn kinderen het eerlijke verhaal verteld. Over de depressie, over de hulp die ik nodig had. De oudste kinderen weten sindsdien wat een depressie is en we spreken er open over. Ze vinden psychische problemen van vriendjes/ kennissen/ anderen inmiddels net zo gewoon als lichamelijke mankementen. Alleen de jongste, toen twee, was het niet uit te leggen. Maar daar had mijn man ook wel een oplossing voor. Als hij dan zei: ‘Mama is…’, schreeuwde zij ‘KOEKOEK!!!’.

Ach. Haar praat ik over een aantal jaar wel bij.