Door: Mirjam Giphart

Zelfstigma. Bijvoorbeeld als mensen op onverwachte momenten iets onaardigs tegen me zeggen. In situaties die maken dat ik er niet echt op kan ingaan. Of waarin ik niets liever wil dan die ander gelijk geven. Het gaat vaak over gedrag dat ik van mezelf haat. Waarvoor ik mezelf meer dan eens heb bestraft. Vretend. Met zelfdestructieve gedachten. Waarvoor ik op school in de hoek werd gezet. Regelmatig. Waarvoor ik thuis van tafel gestuurd werd. Zelfs klappen kreeg. Vaak. Waarvoor psychologen in menig intakeverslag mij met labels behingen. Ik werd keurig in vakjes opgeborgen. En dan was er altijd wel een passende professionele bejegening die daarbij aansluiten kon. En ik was daar tevreden mee, want die hulpverleners kenden mij schijnbaar beter dan ikzelf en die wisten wat goed voor mij was.

Een rechtvaardig onrecht. Tóch?!

Het bekruipt mij steeds vaker verwarrend: mijn eigenwaarde dat in verzet komt. Is dit wel eerlijk? Klopt dit wel? Moet ik veranderen? Wat moet ik dan veranderen? En wie moet ik dan worden?

'Ik slik, maar tevergeefs.'

Zwakkeling! denk ik tegen mezelf. En eenmaal de situatie verlaten lukt het me niet de machteloze tranen tegen te houden. Het zout bijt in m’n keel en vormt daar een kristal dat ik ervaar ‘t als een brok, een steen, een rotsblok. Ik slik, maar tevergeefs. De dagen erna staan in het teken van ouderwetse, hopeloze verwarring. Herbelevingen dompelen me onder in verstikkende modder van m’n kindertijd en bitterzoete stroop van mijn bij tijden ongelijkwaardige langdurige relatie.

De kudde

Steeds is het gezonde veerkracht die maakt, dat het me lukt om me naar de oppervlakte te worstelen. Ik voel ‘t daglicht in m’n ogen prikken, frisse lucht zoekt zich bijtend een weg naar m’n longen... Ik durf ‘t niet, maar het besef dat er anders écht niets anders rest dan de dood, doet mij weer mengen met de kudde. Met alle anderen die uiterlijk gewoon leven, tegen elkaar roepend: Geniet ervan! Volg je hart! En: Het komt goed! Wat gaat er in hun hoofden om? Wat maakt dat zij soms zo onaardig zijn? Bot onuitgesproken voor hun persoonlijke behoeften opkomen?

'Hé joh! Hoe is t met je?'

Onderscheid ik mij van hen? Niets menselijks is mij vreemd! Hoevelen voelen zich in stilte ellendig na een confrontatie met mij? Zonder dat ik mij dat bewust ben? En dán! Die mens die mijn voicemail ingesproken heeft: Hé joh! Hoe is t met je? Ik vond die opmerking tegen jou niet aardig en onterecht. Dat verdiende je niet!

Oelewapper

Boem! Met mijn billen op de aarde! Met mijn voeten op de grond! Die mens die mij ongevraagd aandacht geeft, zijn zorg uitspreekt, laat weten dat hij me zag. En zich afvroeg wat er in mijn hoofd omging. Opnieuw doemt verwarring op: ben ik dit wel waard? Dit is niet voor ‘t eerst. En, ook al ben ik nu ruim 60 jaar oud, ook niet voor ‘t laatst. Púber! sis ik mezelf onhoorbaar voor anderen toe! Ik aai mezelf even minzaam glimlachend over mijn bol: Oelewapper! voeg ik eraan toe. Ik wil er 'liefkozend' aan toevoegen. Maar dat lukt me niet.

Door: Mirjam Giphart

Zelfstigma. Bijvoorbeeld als mensen op onverwachte momenten iets onaardigs tegen me zeggen. In situaties die maken dat ik er niet echt op kan ingaan. Of waarin ik niets liever wil dan die ander gelijk geven. Het gaat vaak over gedrag dat ik van mezelf haat. Waarvoor ik mezelf meer dan eens heb bestraft. Vretend. Met zelfdestructieve gedachten. Waarvoor ik op school in de hoek werd gezet. Regelmatig. Waarvoor ik thuis van tafel gestuurd werd. Zelfs klappen kreeg. Vaak. Waarvoor psychologen in menig intakeverslag mij met labels behingen. Ik werd keurig in vakjes opgeborgen. En dan was er altijd wel een passende professionele bejegening die daarbij aansluiten kon. En ik was daar tevreden mee, want die hulpverleners kenden mij schijnbaar beter dan ikzelf en die wisten wat goed voor mij was.

Een rechtvaardig onrecht. Tóch?!

Het bekruipt mij steeds vaker verwarrend: mijn eigenwaarde dat in verzet komt. Is dit wel eerlijk? Klopt dit wel? Moet ik veranderen? Wat moet ik dan veranderen? En wie moet ik dan worden?

‘Ik slik, maar tevergeefs.’

Zwakkeling! denk ik tegen mezelf. En eenmaal de situatie verlaten lukt het me niet de machteloze tranen tegen te houden. Het zout bijt in m’n keel en vormt daar een kristal dat ik ervaar ‘t als een brok, een steen, een rotsblok. Ik slik, maar tevergeefs. De dagen erna staan in het teken van ouderwetse, hopeloze verwarring. Herbelevingen dompelen me onder in verstikkende modder van m’n kindertijd en bitterzoete stroop van mijn bij tijden ongelijkwaardige langdurige relatie.

De kudde

Steeds is het gezonde veerkracht die maakt, dat het me lukt om me naar de oppervlakte te worstelen. Ik voel ‘t daglicht in m’n ogen prikken, frisse lucht zoekt zich bijtend een weg naar m’n longen… Ik durf ‘t niet, maar het besef dat er anders écht niets anders rest dan de dood, doet mij weer mengen met de kudde. Met alle anderen die uiterlijk gewoon leven, tegen elkaar roepend: Geniet ervan! Volg je hart! En: Het komt goed! Wat gaat er in hun hoofden om? Wat maakt dat zij soms zo onaardig zijn? Bot onuitgesproken voor hun persoonlijke behoeften opkomen?

‘Hé joh! Hoe is t met je?’

Onderscheid ik mij van hen? Niets menselijks is mij vreemd! Hoevelen voelen zich in stilte ellendig na een confrontatie met mij? Zonder dat ik mij dat bewust ben? En dán! Die mens die mijn voicemail ingesproken heeft: Hé joh! Hoe is t met je? Ik vond die opmerking tegen jou niet aardig en onterecht. Dat verdiende je niet!

Oelewapper

Boem! Met mijn billen op de aarde! Met mijn voeten op de grond! Die mens die mij ongevraagd aandacht geeft, zijn zorg uitspreekt, laat weten dat hij me zag. En zich afvroeg wat er in mijn hoofd omging. Opnieuw doemt verwarring op: ben ik dit wel waard? Dit is niet voor ‘t eerst. En, ook al ben ik nu ruim 60 jaar oud, ook niet voor ‘t laatst. Púber! sis ik mezelf onhoorbaar voor anderen toe! Ik aai mezelf even minzaam glimlachend over mijn bol: Oelewapper! voeg ik eraan toe. Ik wil er ‘liefkozend’ aan toevoegen. Maar dat lukt me niet.