Door: Mirjam Giphart

Om het begrip 'zelfstigma' en het effect ervan uit te leggen vertel ik graag het volgende gebeuren. In 5 jaar tijd - tussen mijn negenendertigste en vierenveertigste - werd ik een aantal maal opgenomen in de GGz. Elke keer kreeg ik genereus een assertiviteitstraining aangeboden. Elke keer verraste het aanbod me weer, hoewel gaandeweg met slinkende weerstand. Ik kende mijzelf toch als uitgesproken assertief?! Steevast was de reactie van de behandelaar een non-verbaal geringschattend met de lippen getuit minzaam lachend hoofdschudden.

Ik nam graag aan wat mijn hulpverleners mij over mij leerden. Zij hadden er immers voor geleerd?! En ik was, nu ik met opnames en diagnoses officieel een koekwaus geworden was, mezelf volkomen kwijt. Wie of wat ik was? Ik wist het niet meer en ik nam dus grif aan dat ik beslist niet assertief was. Ik had mezelf dat in de afgelopen 40 jaar simpelweg proberen wijs te maken.

Kaartjes & cadeautjes

Eenmaal "uitbehandeld" en thuis verder tobbend, ben ik keurig mijn hele huis van boven naar beneden van alle bewijzen van de grote leugen van voor mijn depressie gaan ontdoen. Alle kaartjes, foto's, cadeautjes, schriftjes met aardige en lieve teksten, die ik ooit in mijn leven had gekregen van mensen om mij heen, keilde ik in de kliko. Wat overbleef waren de harde bewijzen van het leven van een gek.

Tien jaar na mijn eerste opname genas ik in korte tijd van deze psychische klachten en al snel herhaalde ik steeds maar deze zin: ik heb mezelf weer terug... Na enkele maanden toen ik - heel assertief - de medicijnen op eigen houtje aan het afbouwen was, begon ik de tastbare herinneringen aan mijn eerdere leven te missen.

'Hij was het die een flinterdun vliesje vertrouwen in volwassenen in mijn brein plantte.'

Uitgesproken verdrietig werd ik van het feit dat ik nooit meer in mijn opstelschriftje van de lagere school kon lezen. Daarin stond het opstel, dat feitelijk een brief gericht aan mijn meester van de vijfde klas was. Waarin ik vertelde, dat ik gedroomd had dat ik bij hem en zijn gezin mocht wonen. Mijn meester Scholten heeft nu in mijn voorstelling "Herstellen doe je niet alleen" een niet-onbelangrijke rol. Hij was het die een flinterdun vliesje vertrouwen in volwassenen in mijn brein plantte. Het bleek de voedingsbodem te vormen voor mijn vermogen om slechts enkele jaren later voor het eerst en verderop in m'n leven ontelbare malen om psychische hulp te vragen.

Hulp vragen

De laatste keer dat ik om hulp vroeg was een paar maanden terug. Van het ene moment op het andere was ik in een verschrikkelijk traumatische situatie betrokken geraakt. Een situatie waarin ik in mijn functie als moeder totaal tegenstrijdige rollen moest gaan spelen, terwijl ik ondertussen instant besefte dat deze situatie oude trauma's uit mijn jeugd en latere leven triggerden. Tot mijn verbazing overzag ik vrij snel de complexiteit hiervan en de emotionele consequenties ervan. Ook wist ik wat mij te doen stond: hulp vragen en wel zo assertief als assertief maar zijn kon.

'Mijn geluk was dat ik geen depressieve periode doormaakte en mijn veerkracht mij gezond ondersteunde.'

Met op korte termijn gestarte traumatherapie en voldoende mensen in mijn netwerk die naar het verhaal en dilemma's wilden luisteren, lukte het me om te blijven werken en mijn sociale rollen voortvarend te kunnen blijven spelen. Mijn geluk was dat ik geen depressieve periode doormaakte en mijn veerkracht mij gezond ondersteunde.

Ik kon weloverwogen hartverscheurende keuzes in loyaliteit maken en tussendoor bleef ik mijn voorstelling ook gewoon opvoeren. Elke keer als meester Scholten weer het podium opkomt, mis ik het schriftje met het opstel en raakt mijn spel mijzelf.

Assertief

Gisteren zocht ik op Facebook op de naam van de dochter van meester Scholten. Ik vond haar. Ik chatte haar. Ze kent mij niet. (Ik heb haar ooit eenmaal gezien toen zij met haar vader meekwam naar onze klas.) Toch antwoordde ze al snel. Ik had als reden van mijn bericht opgegeven dat ik het zo fijn zou vinden als meester Scholten te weten zou komen hoe belangrijk hij in mijn leven is geweest. Ze vroeg mij om mijn contactgegevens, zodat zij die aan haar vader zou kunnen doorgeven.

Als die hulpverleners eenmaal aan mijn toenmalige echtgenoot hadden gevraagd: zou jij Mirjam als een assertieve vrouw omschrijven dan zou hij zonder omhaal ‘Ja!’ geroepen hebben: ‘Ja! Ik vertrouw juist op haar als we in een moeilijke situatie zitten en ik geen lef heb om voor mij of ons op te komen!’

Veilig & begrepen

Mijn schijnbare gebrek aan assertiviteit dat feitelijk een symptoom van mijn depressie was, werd gezien als een van mijn persoonlijkheidskenmerken. En zo werd ik mijn depressie. Ik deed wat er van me verwacht werd. In de vurige hoop dat gemotiveerd meewerken mij zou redden van die ellendige gedachten en gevoelens waaraan ik leed door diezelfde depressie.

'Ik weet wel dat je het moeilijk hebt thuis.'

Toch wist ik, dat ik die hulpverleners ook mocht vertrouwen. Dat ze het niet slecht bedoelden. Dat ze niet er niet op uit waren van mij te winnen.

Dát wilde mijn moeder. En meester Scholten zag dat. Toen ik het nog niet zag. "Ik weet wel dat je het moeilijk hebt thuis." Ik wist dat niet maar ik voelde me, toen hij zijn arm om me heen legde, zo veilig en begrepen.

Door: Mirjam Giphart

Om het begrip ‘zelfstigma‘ en het effect ervan uit te leggen vertel ik graag het volgende gebeuren. In 5 jaar tijd – tussen mijn negenendertigste en vierenveertigste – werd ik een aantal maal opgenomen in de GGz. Elke keer kreeg ik genereus een assertiviteitstraining aangeboden. Elke keer verraste het aanbod me weer, hoewel gaandeweg met slinkende weerstand. Ik kende mijzelf toch als uitgesproken assertief?! Steevast was de reactie van de behandelaar een non-verbaal geringschattend met de lippen getuit minzaam lachend hoofdschudden.

Ik nam graag aan wat mijn hulpverleners mij over mij leerden. Zij hadden er immers voor geleerd?! En ik was, nu ik met opnames en diagnoses officieel een koekwaus geworden was, mezelf volkomen kwijt. Wie of wat ik was? Ik wist het niet meer en ik nam dus grif aan dat ik beslist niet assertief was. Ik had mezelf dat in de afgelopen 40 jaar simpelweg proberen wijs te maken.

Kaartjes & cadeautjes

Eenmaal “uitbehandeld” en thuis verder tobbend, ben ik keurig mijn hele huis van boven naar beneden van alle bewijzen van de grote leugen van voor mijn depressie gaan ontdoen. Alle kaartjes, foto’s, cadeautjes, schriftjes met aardige en lieve teksten, die ik ooit in mijn leven had gekregen van mensen om mij heen, keilde ik in de kliko. Wat overbleef waren de harde bewijzen van het leven van een gek.

Tien jaar na mijn eerste opname genas ik in korte tijd van deze psychische klachten en al snel herhaalde ik steeds maar deze zin: ik heb mezelf weer terug… Na enkele maanden toen ik – heel assertief – de medicijnen op eigen houtje aan het afbouwen was, begon ik de tastbare herinneringen aan mijn eerdere leven te missen.

‘Hij was het die een flinterdun vliesje vertrouwen in volwassenen in mijn brein plantte.’

Uitgesproken verdrietig werd ik van het feit dat ik nooit meer in mijn opstelschriftje van de lagere school kon lezen. Daarin stond het opstel, dat feitelijk een brief gericht aan mijn meester van de vijfde klas was. Waarin ik vertelde, dat ik gedroomd had dat ik bij hem en zijn gezin mocht wonen. Mijn meester Scholten heeft nu in mijn voorstelling “Herstellen doe je niet alleen” een niet-onbelangrijke rol. Hij was het die een flinterdun vliesje vertrouwen in volwassenen in mijn brein plantte. Het bleek de voedingsbodem te vormen voor mijn vermogen om slechts enkele jaren later voor het eerst en verderop in m’n leven ontelbare malen om psychische hulp te vragen.

Hulp vragen

De laatste keer dat ik om hulp vroeg was een paar maanden terug. Van het ene moment op het andere was ik in een verschrikkelijk traumatische situatie betrokken geraakt. Een situatie waarin ik in mijn functie als moeder totaal tegenstrijdige rollen moest gaan spelen, terwijl ik ondertussen instant besefte dat deze situatie oude trauma’s uit mijn jeugd en latere leven triggerden. Tot mijn verbazing overzag ik vrij snel de complexiteit hiervan en de emotionele consequenties ervan. Ook wist ik wat mij te doen stond: hulp vragen en wel zo assertief als assertief maar zijn kon.

‘Mijn geluk was dat ik geen depressieve periode doormaakte en mijn veerkracht mij gezond ondersteunde.’

Met op korte termijn gestarte traumatherapie en voldoende mensen in mijn netwerk die naar het verhaal en dilemma’s wilden luisteren, lukte het me om te blijven werken en mijn sociale rollen voortvarend te kunnen blijven spelen. Mijn geluk was dat ik geen depressieve periode doormaakte en mijn veerkracht mij gezond ondersteunde.

Ik kon weloverwogen hartverscheurende keuzes in loyaliteit maken en tussendoor bleef ik mijn voorstelling ook gewoon opvoeren. Elke keer als meester Scholten weer het podium opkomt, mis ik het schriftje met het opstel en raakt mijn spel mijzelf.

Assertief

Gisteren zocht ik op Facebook op de naam van de dochter van meester Scholten. Ik vond haar. Ik chatte haar. Ze kent mij niet. (Ik heb haar ooit eenmaal gezien toen zij met haar vader meekwam naar onze klas.) Toch antwoordde ze al snel. Ik had als reden van mijn bericht opgegeven dat ik het zo fijn zou vinden als meester Scholten te weten zou komen hoe belangrijk hij in mijn leven is geweest. Ze vroeg mij om mijn contactgegevens, zodat zij die aan haar vader zou kunnen doorgeven.

Als die hulpverleners eenmaal aan mijn toenmalige echtgenoot hadden gevraagd: zou jij Mirjam als een assertieve vrouw omschrijven dan zou hij zonder omhaal ‘Ja!’ geroepen hebben: ‘Ja! Ik vertrouw juist op haar als we in een moeilijke situatie zitten en ik geen lef heb om voor mij of ons op te komen!’

Veilig & begrepen

Mijn schijnbare gebrek aan assertiviteit dat feitelijk een symptoom van mijn depressie was, werd gezien als een van mijn persoonlijkheidskenmerken. En zo werd ik mijn depressie. Ik deed wat er van me verwacht werd. In de vurige hoop dat gemotiveerd meewerken mij zou redden van die ellendige gedachten en gevoelens waaraan ik leed door diezelfde depressie.

‘Ik weet wel dat je het moeilijk hebt thuis.’

Toch wist ik, dat ik die hulpverleners ook mocht vertrouwen. Dat ze het niet slecht bedoelden. Dat ze niet er niet op uit waren van mij te winnen.

Dát wilde mijn moeder. En meester Scholten zag dat. Toen ik het nog niet zag. “Ik weet wel dat je het moeilijk hebt thuis.” Ik wist dat niet maar ik voelde me, toen hij zijn arm om me heen legde, zo veilig en begrepen.