Bijna driekwart van de hulpverleners wil zelf actief met destigmatisering aan de slag. Dat blijkt uit een enquête van het Trimbos-instituut.

De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ (LMA) van het Trimbos-instituut volgt het in Nederland in 2012 ingezette beleid rond ambulantisering. In de vijfde meting is speciale aandacht besteed aan het onderwerp stigma vanuit de ggz. Het Trimbos-instituut ondervroeg zowel mensen met een psychische aandoening als hulpverleners.

Van de 628 leden van het panel Psychisch Gezien (dat bestaat uit circa 1500 mensen met een langdurige psychische aandoening) ervaarde driekwart de afgelopen twee jaar stigma, vooral zelfstigma en stigmatisering door naasten. De meest genoemde nadelige gevolgen zijn een negatief zelfbeeld, verminderd zelfvertrouwen en hoop op de toekomst, minder contacten, trager herstel en een lagere kwaliteit van leven.

Helft ervaart stigma binnen ggz

Ruim de helft van het panel heeft te maken gehad met stigmatisering in de ggz. Ook hierbij geven panelleden aan veel nadelige gevolgen te hebben ondervonden. Met name op hun zelfbeeld en het gevoel van vertrouwen in het eigen kunnen en de hoop​ voor de toekomst (resp. 70% en 69%). Ook zijn er nadelige gevolgen voor het herstel​ (60%) en de kwaliteit van leven (58%), de contacten met andere mensen (56%) en de​ psychische en verslavingsproblemen (55%).

De afstandelijke houding en het taalgebruik van hulpverleners (betuttelend/beschermend) worden het vaakst genoemd. De hulpverleners die panelleden het vaakst als stigmatiserende persoon noemen, behoren tot de kernprofessies in de ggz. Bijna de helft van de cliënten geeft aan door een psychiater te zijn gestigmatiseerd, gevolgd door een psycholoog/psychotherapeut en verpleegkundige/verpleegkundig specialist. Een kwart van de panelleden met stigma-ervaringen in de ggz heeft hier nooit met iemand over gesproken. Ruim een derde heeft het met de betreffende hulpverlener zelf besproken.

Nog geen gespreksonderwerp in teams

Ook 471 hulpverleners zijn bevraagd. Wat opvalt is dat hulpverleners hoger scoren op de vraag of stigmatisering in de ggz een probleem is dan cliënten: hulpverleners geven stigmatisering in de ggz gemiddeld een 6,7 en panelleden een 5,4 (1=geen probleem, 10=groot probleem). Ze geven aan dat stigmatisering nog geen regelmatig terugkerend gespreksonderwerp is binnen het team, maar ongeveer de helft van de hulpverleners verwacht dat er binnen het team zeker bereidheid is om met destigmatisering aan de slag te gaan. De eigen bereidheid is veel groter: bijna driekwart wil zelf actief met destigmatisering aan de slag gaan. Mogelijk wordt dit beeld enigszins vertekend doordat naar verwachting vooral hulpverleners met affiniteit met het onderwerp aan de enquête hebben deelgenomen.

Hoe aan de slag?

Wat wel of niet als stigmatiserend wordt ervaren, kan per cliënt, per hulpverlener en ook per situatie verschillen. Destigmatiserend werken zal vooral een zoektocht zijn, waarvan het (gezamenlijk) reflecteren op het eigen professionele handelen een essentieel onderdeel uitmaakt. Gezien de vele negatieve gevolgen zou stigmatisering een vast aandachtspunt moeten zijn binnen begeleidingsgesprekken en in casuïstiekbesprekingen. Tijdens begeleidingsgesprekken kan een hulpverlener (indien nodig) de cliënt inzicht bieden in de werking van (zelf)stigma en met de cliënt uitzoeken welke manieren van omgaan met stigma bij hem of haar passen. Ook kan de hulpverlener cliënten ondersteunen bij het vergroten van hun stigmaweerstand.

Reflectie op en uitwisseling over het eigen handelen binnen het team is essentieel. Dit kan bijvoorbeeld binnen casuïstiekbesprekingen of moreel beraad bijeenkomsten of met behulp van interventies zoals de e-learning Destigmatiserend werken, Beyond the Label en Bij nader inzien. Hierin kunnen vragen aan de orde komen als: is het team zich er van bewust dat we allemaal kunnen stigmatiseren? Hoe ziet dat er dan uit? Gebruiken we ook onderling respectvolle taal? Spreken we elkaar aan op stigmatiserende taal of attitudes? Wat kunnen we doen om meer openheid en acceptatie te creëren? Op deze manier kunnen ggz-professionals een bijdrage  leveren aan destigmatiserend communiceren over psychische aandoeningen.

Download het rapport met de resultaten van de vijfde meting van de Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ (LMA) op de website van het Trimbos-instituut. In hoofdstuk 4 (vanaf pagina 33) en deelonderzoek 4 (vanaf pagina 167) komt het thema stigma aan bod.

Bijna driekwart van de hulpverleners wil zelf actief met destigmatisering aan de slag. Dat blijkt uit een enquête van het Trimbos-instituut.

De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ (LMA) van het Trimbos-instituut volgt het in Nederland in 2012 ingezette beleid rond ambulantisering. In de vijfde meting is speciale aandacht besteed aan het onderwerp stigma vanuit de ggz. Het Trimbos-instituut ondervroeg zowel mensen met een psychische aandoening als hulpverleners.

Van de 628 leden van het panel Psychisch Gezien (dat bestaat uit circa 1500 mensen met een langdurige psychische aandoening) ervaarde driekwart de afgelopen twee jaar stigma, vooral zelfstigma en stigmatisering door naasten. De meest genoemde nadelige gevolgen zijn een negatief zelfbeeld, verminderd zelfvertrouwen en hoop op de toekomst, minder contacten, trager herstel en een lagere kwaliteit van leven.

Helft ervaart stigma binnen ggz

Ruim de helft van het panel heeft te maken gehad met stigmatisering in de ggz. Ook hierbij geven panelleden aan veel nadelige gevolgen te hebben ondervonden. Met name op hun zelfbeeld en het gevoel van vertrouwen in het eigen kunnen en de hoop​ voor de toekomst (resp. 70% en 69%). Ook zijn er nadelige gevolgen voor het herstel​ (60%) en de kwaliteit van leven (58%), de contacten met andere mensen (56%) en de​ psychische en verslavingsproblemen (55%).

De afstandelijke houding en het taalgebruik van hulpverleners (betuttelend/beschermend) worden het vaakst genoemd. De hulpverleners die panelleden het vaakst als stigmatiserende persoon noemen, behoren tot de kernprofessies in de ggz. Bijna de helft van de cliënten geeft aan door een psychiater te zijn gestigmatiseerd, gevolgd door een psycholoog/psychotherapeut en verpleegkundige/verpleegkundig specialist. Een kwart van de panelleden met stigma-ervaringen in de ggz heeft hier nooit met iemand over gesproken. Ruim een derde heeft het met de betreffende hulpverlener zelf besproken.

Nog geen gespreksonderwerp in teams

Ook 471 hulpverleners zijn bevraagd. Wat opvalt is dat hulpverleners hoger scoren op de vraag of stigmatisering in de ggz een probleem is dan cliënten: hulpverleners geven stigmatisering in de ggz gemiddeld een 6,7 en panelleden een 5,4 (1=geen probleem, 10=groot probleem). Ze geven aan dat stigmatisering nog geen regelmatig terugkerend gespreksonderwerp is binnen het team, maar ongeveer de helft van de hulpverleners verwacht dat er binnen het team zeker bereidheid is om met destigmatisering aan de slag te gaan. De eigen bereidheid is veel groter: bijna driekwart wil zelf actief met destigmatisering aan de slag gaan. Mogelijk wordt dit beeld enigszins vertekend doordat naar verwachting vooral hulpverleners met affiniteit met het onderwerp aan de enquête hebben deelgenomen.

Hoe aan de slag?

Wat wel of niet als stigmatiserend wordt ervaren, kan per cliënt, per hulpverlener en ook per situatie verschillen. Destigmatiserend werken zal vooral een zoektocht zijn, waarvan het (gezamenlijk) reflecteren op het eigen professionele handelen een essentieel onderdeel uitmaakt. Gezien de vele negatieve gevolgen zou stigmatisering een vast aandachtspunt moeten zijn binnen begeleidingsgesprekken en in casuïstiekbesprekingen. Tijdens begeleidingsgesprekken kan een hulpverlener (indien nodig) de cliënt inzicht bieden in de werking van (zelf)stigma en met de cliënt uitzoeken welke manieren van omgaan met stigma bij hem of haar passen. Ook kan de hulpverlener cliënten ondersteunen bij het vergroten van hun stigmaweerstand.

Reflectie op en uitwisseling over het eigen handelen binnen het team is essentieel. Dit kan bijvoorbeeld binnen casuïstiekbesprekingen of moreel beraad bijeenkomsten of met behulp van interventies zoals de e-learning Destigmatiserend werken, Beyond the Label en Bij nader inzien. Hierin kunnen vragen aan de orde komen als: is het team zich er van bewust dat we allemaal kunnen stigmatiseren? Hoe ziet dat er dan uit? Gebruiken we ook onderling respectvolle taal? Spreken we elkaar aan op stigmatiserende taal of attitudes? Wat kunnen we doen om meer openheid en acceptatie te creëren? Op deze manier kunnen ggz-professionals een bijdrage  leveren aan destigmatiserend communiceren over psychische aandoeningen.

Download het rapport met de resultaten van de vijfde meting van de Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ (LMA) op de website van het Trimbos-instituut. In hoofdstuk 4 (vanaf pagina 33) en deelonderzoek 4 (vanaf pagina 167) komt het thema stigma aan bod.