Door: Anne van Winkelhof

Anne van Winkelhof is ambassadeur van Samen Sterk zonder Stigma. In haar zoektocht naar een 'grotemensenbaan' loopt ze tegen diverse zaken aan, ook tegen haar eigen denkbeelden. In deze blog legt ze uit hoe dat werkt: stigmatisering als belemmering voor het vinden en behouden van een baan. En ook: hoe het proces van publiek stigma naar zelfstigmatisering bij haar werkt. 

Anne vertelt: Sinds augustus 2016 heb ik geen baan meer. Begin 2019 schreef ik in de blog Re-integreren voor dummies (deel 1) daaroverIn mijn ideale wereld kan ik [op het werk] eerlijk zijn over mijn psychische aandoeningen en mijn valkuilen die daarbij horen. (…) Ik kan daar mezelf zijn – bang, onstuimig en snel overprikkeld, maar ook: hardwerkend, leergierig en enthousiast. Nu, ruim 2 jaar later, heb ik een baan. Meer dan ooit tevoren voel ik dat ik een plek gevonden heb in deze mij-soms-overweldigende-maatschappij, maar toch… In hoeverre durf ik nu écht mezelf te zijn, met alles wat daarbij hoort? In hoeverre kan ik eerlijk zijn over mijn beperkingen en valkuilen? Wanneer kom ik nu eindelijk eens echt op voor mijn gezondheid, en praat ik over de begeleiding en aanpassingen die ik nodig heb? 

Deze vragen spelen op nu ik bijna afgestudeerd ben en aan het oriënteren ben op een ‘echte’ baan. Een grotemensenbaan jaagt me nog steeds angst aan, zoals ik eerder al schreef: Een grotemensenbaan, terwijl ik me, toch al 27 jaar tellend, allesbehalve een groot mens voel. Nu ben ik bijna 30 jaar, maar diep van binnen ben ik nog steeds het meisje van 10 met ongekamd haar en voetbalkleding aan. Het is alsof ik dat tienjarige meisje in een veel te groot pak hijs en een aktetas in haar hand druk. Ze kijkt me beteuterd aan. 

De drie s’en: stigma, schaamte en schuld 

Zoals ik in 2019 schreef, speelt stigma een belemmerende rol bij re-integratie van mensen met een psychische aandoening. Stigmatisering en zelfstigmatisering zijn ingewikkelde processen, waarbij het zelfs met een groot relativeringsvermogen moeilijk omdenken is. Nog steeds denk ik: waarom zou je mij aannemen, met beperkingen en gedoe, als je keuze hebt uit tientallen anderen? Ik schaam me voor deze gedachte, ik schaam me voor mijn tekortkomingen en ik schaam me voor mijn gezeur hierover.  

Ook voel ik me schuldig om mijn beperkingen en heb ik de overtuiging dat ik daar extra veel tegenover moet zetten.  

Het voelt soms alsof ik alles van mezelf moet geven, waardoor er aan het einde van de dag nog weinig over is. En dat tienjarige meisje in mij wéér geen voetbal krijgt om tegenaan te schoppen. 

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de groep mensen met een ernstige psychische aandoening in de leeftijdscategorie 15 tot 65 jaar veel minder vaak een betaalde baan van minimaal twaalf uur per week dan de algemene beroepsbevolking. Echt veel minder vaak: 19% versus 66% (Place et al., 2014)! Het merendeel van die groep ervaart stigma als de grootste belemmering in het vinden en behouden van een baan (Marwaha & Johnson, 2005). 

Hoe werkt dat precies: stigmatisering als belemmering voor het vinden en behouden van een baan? Dat kan voor iedereen anders zijn, mede afhankelijk van de problematiek waar iemand mee worstelt. Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen. Ik ben gevoelig voor publiek stigma. In de media wordt het hebben van een psychische aandoening vaak negatief belicht. De psychiatrie wordt nog steeds voorgesteld als een wereld op afstand, waar de ‘normale’ mens niets mee van doen heeft. Deze mediaberichten geven mij een gevoel van anders-zijn. Mijn zelfvertrouwen gaat eraan en ik internaliseer de berichtgeving, met als gevolg: zelfstigma. 

Het zie-je-wel-effect 

Uit recent onderzoek blijkt dat een op de drie leidinggevenden een sollicitant die open is over zijn psychische aandoening geen baan zou aanbieden, zelfs niet als die persoon geen klachten meer ervaart (Brouwers et al., 2020). Ook dit soort berichten wakkeren mijn zelfstigma aan: wie wil nou iemand in dienst met een hogere kans op uitval? Dat is hoe het proces van publiek stigma naar zelfstigmatisering bij mij werkt. Er wordt een zelfstigmatiserende overtuiging geraakt door een publieke overtuiging: neem maar geen mensen aan met psychische klachten, want die zijn onberekenbaar en vallen om de haverklap uit. Dit vooroordeel wordt vervolgens een soort waarheid.  

Omdat ik zo m’n best ga doen om ‘normaal’ te presteren en vooral níet uit te vallen, kom ik uiteindelijk uitgeput en opgebrand op de bank te zitten.  

Daar zit ik dan: mezelf voor mijn hoofd te slaan vanwege m’n selffulfilling prophecy. Of, zoals ik het liever noem; het zie-je-wel-effect. 

Rol van de hulpverlening 

De hulpverlening speelt een belangrijke rol in genoemde stigmatiserende vooroordelen en het zie-je-wel-effect. In de behandeling van mensen met een ernstige psychische aandoening staat maatschappelijk herstel, re-integratie, vaak laag op de to-do-list. De heersende opvatting is dat iemand eerst wat minder ziekteverschijnselen moet vertonen voordat er überhaupt over werk kan worden gesproken. Ik ken verhalen van mensen waarbij psychiaters of psychologen zoiets zeiden als: Nou, richt u zich eerst maar even op uw herstel voordat u weer over werk gaat nadenken. Goed bedoeld, maar wat als dat herstel niet ‘even’ duurt? 

Ik weet nog dat mijn behandelaren tijdens een klinische en later poliklinische behandeling mij zelfs áfraadden om te gaan werken. Ook van mijn omgeving kreeg ik te horen dat ik het vooral rustig aan moest doen. Dat heeft van alles met mijn zelfvertrouwen gedaan.  

Het voelde alsof men dacht dat ik bij elk zuchtje wind zou omvallen. In mijn strijd om het tegendeel te bewijzen, gebeurde dit ook; het zie-je-wel-effect. 

Tegenwoordig tracht men in de ggz herstelgericht te werken en weten we dat het (her)vinden van maatschappelijke rollen een belangrijk onderdeel is van herstel. Herstel is geen vooropgesteld stappenplan, herstel is een individueel en uniek proces. Waar voor de één klinisch herstel (verminderen van ziekteverschijnselen) voorop staat, is voor de ander maatschappelijk herstel juist leidend voor het hele herstelproces. We moeten in de ggz nog meer af van zogenaamde deskundigheid: ik weet wel wat goed voor jou is, doe maar eerst X en dan pas Y. Alleen de herstellende zelf weet wat goed voor hem is. Durf daar samen, herstellende en herstelbegeleider, wat meer op te vertrouwen. 

Tijd voor de volgende stap 

En ik dan, herstellende, weet ik wat goed voor mij is? Ja, dat weet ik dondersgoed, maar de zelfstigmatiserende stem in mij zegt dat ik beter een vrijwilligersfunctie zou kunnen vervullen, omdat ik dan geen verantwoordelijkheden draag. Die stem zegt me mee te lopen in de stroom, niet op te vallen, vooral niet te veel te zeggen. Door die stem vecht ik mezelf moe tegen ongeschreven regels en onzichtbare muren. Tegelijkertijd heb ik zoveel dromen, ambities, vaardigheden en ben ik iemand die juist graag opvalt, uit de stroom stapt. Het zou zonde zijn mezelf vanuit een soort risicomanagement te de-evalueren. Maar ik weet dat ik pas uit de stroom durf te stappen als ik ergens zacht mag landen. Ik ben nog steeds dat tienjarige meisje met de voetbal in haar hand. Hoe krijg ik het voor elkaar dat er nog genoeg tijd voor haar overblijft, en dat zij zich gekoesterd voelt? Volgens mij is het voor deze gere-integreerde dummy tijd voor de volgende stap: opvallen. Uit de stroom, mezelf niet in een mal wringen, maar juist aangeven wat ik niet, maar vooral ook, wat ik wél kan. Emancipatie (voor dummies).  

Met toestemming van de auteur Anne van Winkelhof hebben we dit artikel (deels bewerkt) mogen overnemen van haar site.

Door: Anne van Winkelhof

Anne van Winkelhof is ambassadeur van Samen Sterk zonder Stigma. In haar zoektocht naar eengrotemensenbaan’ loopt ze tegen diverse zaken aan, ook tegen haar eigen denkbeelden. In deze blog legt ze uit hoe dat werkt: stigmatisering als belemmering voor het vinden en behouden van een baan. En ook: hoe het proces van publiek stigma naar zelfstigmatisering bij haar werkt. 

Anne vertelt: Sinds augustus 2016 heb ik geen baan meer. Begin 2019 schreef ik in de blog Re-integreren voor dummies (deel 1) daaroverIn mijn ideale wereld kan ik [op het werk] eerlijk zijn over mijn psychische aandoeningen en mijn valkuilen die daarbij horen. (…) Ik kan daar mezelf zijn – bang, onstuimig en snel overprikkeld, maar ook: hardwerkend, leergierig en enthousiast. Nu, ruim 2 jaar later, heb ik een baan. Meer dan ooit tevoren voel ik dat ik een plek gevonden heb in deze mij-soms-overweldigendemaatschappij, maar toch… In hoeverre durf ik nu écht mezelf te zijn, met alles wat daarbij hoort? In hoeverre kan ik eerlijk zijn over mijn beperkingen en valkuilen? Wanneer kom ik nu eindelijk eens echt op voor mijn gezondheid, en praat ik over de begeleiding en aanpassingen die ik nodig heb? 

Deze vragen spelen op nu ik bijna afgestudeerd ben en aan het oriënteren ben op een ‘echte’ baan. Een grotemensenbaan jaagt me nog steeds angst aan, zoals ik eerder al schreef: Een grotemensenbaan, terwijl ik me, toch al 27 jaar tellend, allesbehalve een groot mens voel. Nu ben ik bijna 30 jaar, maar diep van binnen ben ik nog steeds het meisje van 10 met ongekamd haar en voetbalkleding aan. Het is alsof ik dat tienjarige meisje in een veel te groot pak hijs en een aktetas in haar hand druk. Ze kijkt me beteuterd aan. 

De drie s’en: stigma, schaamte en schuld 

Zoals ik in 2019 schreef, speelt stigma een belemmerende rol bij re-integratie van mensen met een psychische aandoening. Stigmatisering en zelfstigmatisering zijn ingewikkelde processen, waarbij het zelfs met een groot relativeringsvermogen moeilijk omdenken is. Nog steeds denk ik: waarom zou je mij aannemen, met beperkingen en gedoe, als je keuze hebt uit tientallen anderen? Ik schaam me voor deze gedachte, ik schaam me voor mijn tekortkomingen en ik schaam me voor mijn gezeur hierover.  

Ook voel ik me schuldig om mijn beperkingen en heb ik de overtuiging dat ik daar extra veel tegenover moet zetten.  

Het voelt soms alsof ik alles van mezelf moet geven, waardoor er aan het einde van de dag nog weinig over is. En dat tienjarige meisje in mij wéér geen voetbal krijgt om tegenaan te schoppen. 

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft de groep mensen met een ernstige psychische aandoening in de leeftijdscategorie 15 tot 65 jaar veel minder vaak een betaalde baan van minimaal twaalf uur per week dan de algemene beroepsbevolking. Echt veel minder vaak: 19% versus 66% (Place et al., 2014)! Het merendeel van die groep ervaart stigma als de grootste belemmering in het vinden en behouden van een baan (Marwaha & Johnson, 2005). 

Hoe werkt dat precies: stigmatisering als belemmering voor het vinden en behouden van een baan? Dat kan voor iedereen anders zijn, mede afhankelijk van de problematiek waar iemand mee worstelt. Laat ik mijzelf als voorbeeld nemen. Ik ben gevoelig voor publiek stigma. In de media wordt het hebben van een psychische aandoening vaak negatief belicht. De psychiatrie wordt nog steeds voorgesteld als een wereld op afstand, waar de ‘normale’ mens niets mee van doen heeft. Deze mediaberichten geven mij een gevoel van anders-zijn. Mijn zelfvertrouwen gaat eraan en ik internaliseer de berichtgeving, met als gevolg: zelfstigma. 

Het zie-je-wel-effect 

Uit recent onderzoek blijkt dat een op de drie leidinggevenden een sollicitant die open is over zijn psychische aandoening geen baan zou aanbieden, zelfs niet als die persoon geen klachten meer ervaart (Brouwers et al., 2020). Ook dit soort berichten wakkeren mijn zelfstigma aan: wie wil nou iemand in dienst met een hogere kans op uitval? Dat is hoe het proces van publiek stigma naar zelfstigmatisering bij mij werkt. Er wordt een zelfstigmatiserende overtuiging geraakt door een publieke overtuiging: neem maar geen mensen aan met psychische klachten, want die zijn onberekenbaar en vallen om de haverklap uit. Dit vooroordeel wordt vervolgens een soort waarheid.  

Omdat ik zo m’n best ga doen om ‘normaal’ te presteren en vooral níet uit te vallen, kom ik uiteindelijk uitgeput en opgebrand op de bank te zitten.  

Daar zit ik dan: mezelf voor mijn hoofd te slaan vanwege m’n selffulfilling prophecy. Of, zoals ik het liever noem; het zie-je-wel-effect. 

Rol van de hulpverlening 

De hulpverlening speelt een belangrijke rol in genoemde stigmatiserende vooroordelen en het zie-je-wel-effect. In de behandeling van mensen met een ernstige psychische aandoening staat maatschappelijk herstel, re-integratie, vaak laag op de to-do-list. De heersende opvatting is dat iemand eerst wat minder ziekteverschijnselen moet vertonen voordat er überhaupt over werk kan worden gesproken. Ik ken verhalen van mensen waarbij psychiaters of psychologen zoiets zeiden als: Nou, richt u zich eerst maar even op uw herstel voordat u weer over werk gaat nadenken. Goed bedoeld, maar wat als dat herstel niet ‘even’ duurt? 

Ik weet nog dat mijn behandelaren tijdens een klinische en later poliklinische behandeling mij zelfs áfraadden om te gaan werken. Ook van mijn omgeving kreeg ik te horen dat ik het vooral rustig aan moest doen. Dat heeft van alles met mijn zelfvertrouwen gedaan.  

Het voelde alsof men dacht dat ik bij elk zuchtje wind zou omvallen. In mijn strijd om het tegendeel te bewijzen, gebeurde dit ook; het zie-je-wel-effect. 

Tegenwoordig tracht men in de ggz herstelgericht te werken en weten we dat het (her)vinden van maatschappelijke rollen een belangrijk onderdeel is van herstel. Herstel is geen vooropgesteld stappenplan, herstel is een individueel en uniek proces. Waar voor de één klinisch herstel (verminderen van ziekteverschijnselen) voorop staat, is voor de ander maatschappelijk herstel juist leidend voor het hele herstelproces. We moeten in de ggz nog meer af van zogenaamde deskundigheid: ik weet wel wat goed voor jou is, doe maar eerst X en dan pas Y. Alleen de herstellende zelf weet wat goed voor hem is. Durf daar samen, herstellende en herstelbegeleider, wat meer op te vertrouwen. 

Tijd voor de volgende stap 

En ik dan, herstellende, weet ik wat goed voor mij is? Ja, dat weet ik dondersgoed, maar de zelfstigmatiserende stem in mij zegt dat ik beter een vrijwilligersfunctie zou kunnen vervullen, omdat ik dan geen verantwoordelijkheden draag. Die stem zegt me mee te lopen in de stroom, niet op te vallen, vooral niet te veel te zeggen. Door die stem vecht ik mezelf moe tegen ongeschreven regels en onzichtbare muren. Tegelijkertijd heb ik zoveel dromen, ambities, vaardigheden en ben ik iemand die juist graag opvalt, uit de stroom stapt. Het zou zonde zijn mezelf vanuit een soort risicomanagement te de-evalueren. Maar ik weet dat ik pas uit de stroom durf te stappen als ik ergens zacht mag landen. Ik ben nog steeds dat tienjarige meisje met de voetbal in haar hand. Hoe krijg ik het voor elkaar dat er nog genoeg tijd voor haar overblijft, en dat zij zich gekoesterd voelt? Volgens mij is het voor deze gere-integreerde dummy tijd voor de volgende stap: opvallen. Uit de stroom, mezelf niet in een mal wringen, maar juist aangeven wat ik niet, maar vooral ook, wat ik wél kan. Emancipatie (voor dummies).  

Met toestemming van de auteur Anne van Winkelhof hebben we dit artikel (deels bewerkt) mogen overnemen van haar site.