Stigma belemmert herstel. Daarom is de laatste jaren meer aandacht voor de rol van stigma binnen de hulpverlening. En meer specifiek ook in de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Herstel is immers het doel van behandeling en begeleiding in de ggz. Ook hulpverleners kunnen hierbij hulp gebruiken, want vaak gebeurt het onbewust.

De ggz is een vakgebied van de gezondheidszorg en houdt zich bezig met de psychische gezondheid van mensen. De ggz richt zich op:

  • psychische aandoeningen voorkomen, behandelen en genezen;
  • mensen met een chronische psychische aandoening zo goed mogelijk laten deelnemen aan de samenleving;
  • (ongevraagde) hulp bieden aan mensen die ernstig verward en/of verslaafd zijn en uit zichzelf geen hulp zoeken.

Stigmatisering kan de positieve effecten van behandeling teniet doen. De potentiële impact van stigma door een hulpverlener is groter dan van publiek stigma bijvoorbeeld. Dit komt omdat een zorgverlener een belangrijk persoon is voor een cliënt.

Verschillende vormen van stigma

Stigma kan ook andere vormen aannemen. Een bekend fenomeen is diagnostic overshadowing: de psychische aandoening overschaduwt de fysieke aandoeningen. Daardoor krijgen patiënten onvoldoende of onjuiste somatische zorg.

Een ander verschijnsel is iatrogeen stigma. Dit treedt op als gevolg van medisch handelen. Bijvoorbeeld wanneer zorgverleners diagnostiek onzorgvuldig gebruiken. Soms plakken zij onbewust te pas en te onpas een etiket op iemand, terwijl dit onnodig is voor de behandeling en deze zelfs kan belemmeren. Dit werkt vaak stigmatiserend voor cliënten en familieleden. Dat gebeurt overigens ook wanneer niet-zorgverleners, zoals naasten, deze labels onzorgvuldig gebruiken.