Bekend maakt bemind. Dat gaat helaas niet op voor stigma in de hulpverlening. Hoewel je verwacht dat hulpverleners minder stigmatiseren, omdat zij bekend zijn met psychische aandoeningen en contact hebben met patiënten. Ook binnen de ggz heersen nog volop vooroordelen. 

Hiervoor zijn enkele verklaringen:

Ook gewoon mensen

Betrokkenen bij de ggz zijn natuurlijk ook gewoon mensen. Denk aan (para)professionals, managers, bestuurders en medewerkers van facilitaire diensten. Zij zijn even vatbaar voor publiek stigma als ieder ander. Ook zorgverleners maken zich zorgen over agressie en de kans op geweld bij het werken met mensen met een psychische aandoening. En veel verpleegkundigen vinden dat cliënten met psychische problemen – vooral verslaving – hiervoor zelf verantwoordelijk zijn. Deze vooroordelen spelen mee in gevoelens van angst en vijandigheid.

Veel verpleegkundigen vinden cliënten zelf verantwoordelijk. Dit vooroordeel speelt mee in gevoelens van angst en vijandigheid.

In tijden van crisis

Hulpverleners in ziekenhuizen en de eerstelijnszorg zien zich vooral geconfronteerd met cliënten met psychische problemen in tijden van crisis en op de meest zorgelijke momenten. Zij zien veel minder vaak herstelde of herstellende cliënten. Dat vertekent hun beeld over mensen met psychische problematiek en werkt vooroordelen in de hand. Je noemt dat ‘clinician bias’.

Onwetendheid

Ten slotte speelt onvoldoende aandacht  in de basisopleiding van hulpverleners een rol. Zoals voor huisartsen of zorgverleners die niet dagelijks met psychische aandoeningen hebben te maken. Daardoor hebben zorgverleners onvoldoende kennis over psychische problemen, rehabilitatie en herstel. En ze beschikken over ontoereikende vaardigheden voor de benadering en bejegening van mensen met een psychische aandoening. Ook dit leidt – vaak onbewust – tot stigmatisering en vooroordelen.