Kitty Jong is vicevoorzitter van de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging), met ruim 1 miljoen leden de grootste vakbond van Nederland. In het dagelijks bestuur van de FNV is zij onder meer verantwoordelijk voor sociale zekerheid, energietransitie, zorg en arbeidsomstandigheden. De FNV ziet zichzelf bovenal als een vereniging van mensen. Kitty Jong is er van overtuigd dat het slechten van het sociale taboe op psychische klachten, de wereld een leefbaarder plek maakt. Daarom communiceert zij er zo open mogelijk over, ook over haar eigen GGZ-verleden. Sam Gerrits bespreekt de ontwikkelingen rond neurodiversiteit en werkgeverschap met haar, op het Regionaal Vakbondshuis van de FNV te Utrecht.

Laat ik met de deur in huis vallen: Ik heb begrepen dat je, naast bestuurder van de grootste vakbond van Nederland, iemand met een GGZ achtergrond bent?
Dat is natuurlijk een heel ruim begrip. Maar in grote lijnen klopt het. Ik heb in het verleden een depressie gehad en een aantal jaren daarna een burn-out. Ik heb dus persoonlijke ervaring met psychische hulpverlening, en hoe die zich verhoudt tot werk. Daarom vond ik het belangrijk om mee te werken aan dit interview.

Kun je iets meer vertellen? Hoe dragen je ervaringen bij aan je inspanningen om GGZ’ers weer aan het werk te krijgen?
Ik was zelf 25 jaar oud, toen ik een postnatale depressie kreeg. Dat is intussen alweer bijna dertig jaar geleden. Tijdens de zwangerschap van mijn eerste kind verongelukte mijn vader. De mensen om mij heen waren benauwd, dat mijn zwangerschap mis zou gaan. Blijkbaar heb ik al dat verdriet opgepot. In dezelfde periode kreeg ik bovendien mijn eerste baan aangeboden. In de stress top vijf staan al deze veranderingen hoog aangeschreven. Ik tikte bijna alle factoren aan, wat verstoring van de leefomgeving betreft.

Toen ik drie maanden in dienst was van de Universiteit van Amsterdam, net na mijn afstuderen, ging het dan ook hopeloos mis. Ik ben opgenomen geweest en heb dagtherapie gehad. Ik ben er alles bij elkaar een half jaar uit geweest.

Wat heeft je het meest geholpen om weer op te krabbelen?
Wat mij met name motiveert om aan dit gesprek mee te werken, is dat ik in 1990 én een bedrijfsarts én een werkgever had, die allebei, samen met elkaar, maar ook afzonderlijk, het allerbeste met mij voor hadden. Dat was cruciaal om weer terug te keren, niet alleen naar mijn werkzame leven, maar ook naar volledig herstel in mijn persoonlijke leven.

Werknemers worden in toenemende mate door werkgevers als kostenpost gezien.

Dertig jaar geleden bestonden de reïntegratie-managers en de casemanagers die je tegenwoordig hebt nog niet. Deze mensen zijn er in veel gevallen alleen maar op gericht, de werkgever te accommoderen. Ze willen iemand ofwel zo snel mogelijk weer aan het werk krijgen, of iemand, zonder aandacht voor specifieke problemen, er zo snel mogelijk uit werken.

Hoe komt het dat er we zo snel veranderd zijn als maatschappij?
Eind jaren tachtig deden de filosofieën van marktwerking en neo-liberalisering hun intrede. In ontwikkelde landen werden het marktkapitalisme en het liberale gedachtegoed maar al te graag omarmd. Ook in ons land. Werknemers worden in toenemende mate door werkgevers als kostenpost gezien. En dat is natuurlijk helemaal ingewikkeld, als je iets mankeert. Of dat in de praktijk nu wel of niet zo is — je wordt gezien als een financieel risico. Daar ligt de focus van het beleid momenteel op.

In 1990 was dat anders — hoe groot was de rol van de bedrijfsarts hierin?
Niet te onderschatten. Tegenwoordig heeft bijna geen enkel bedrijf meer een bedrijfsarts in dienst. Het is allemaal uitbesteed aan bedrijfsarts-fabriekjes. De positie van bedrijfsartsen is uitgehold. Formeel niet, maar in de praktijk wel. Vroeger had een bedrijfsarts gezag binnen het bedrijf. De regie over uitval door ziekte en reïntegratie lag bij hem. Hij gaf zwaarwegend advies. Nu is de regie bij de werkgever komen te liggen.

Met de wet Poortwachter is de werkgever eindverantwoordelijk geworden voor de reïntegratie van zieke werknemers. Dit zet natuurlijk veel meer druk op werknemers, dan een onafhankelijke bedrijfsarts. Bedrijfsartsen arbitreerden onder het oude stelsel tussen werkgever en werknemer. Ze kenden werknemers ook echt.

Nu ben je gewoon een nummertje.
Dat klopt. Een bijkomend probleem is dat er, deels doordat het beroep onaantrekkelijker is geworden, momenteel een groot tekort aan bedrijfsartsen is. De druk op bedrijfsartsen is heel groot. Ze hebben niet direct targets, maar ze worden wel degelijk afgerekend op kwalitatieve prestaties in reïntegratietrajecten. De werkdruk is zo hoog dat basisartsen, die geen bedrijfsarts zijn, momenteel wel die functie uitoefenen. Dat noem je de zogenaamde verlengde-arm constructie.

Dus onder verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts, treden basisartsen op als hulptroepen? In de praktijk beoordelen deze mensen waarschijnlijk ook eindrapporten, waar alleen een handtekening van een bedrijfsarts op staat. Zo gaan die dingen meestal.
Daar zijn we bang voor. Wij bepleiten al heel lang, dat bedrijfsartsen weer een zwaarwegende positie krijgen binnen bedrijven. In grote bedrijven moet weer een arts, die verstand van zaken heeft komen te werken, die mensen kent en klachten naar waarde weet te schatten.

Reïntegratie vraagt om fingerspitzengefühl. Juist in de opstartperiode kunnen psychische en lichamelijke klachten gaan opspelen. Dan heb je iemand nodig die de werkgever geruststelt, zodat deze het traject niet afbreekt. Eenmaal voorbij de opstartperiode gaat het immers meestal prima.

Daar kijken werkgevers helaas niet naar. Men kijkt of iemand een financieel risico is. Want als een werknemer uitvalt, moet de werkgever loon doorbetalen. Hij is nu verantwoordelijk als mensen arbeidsongeschikt raken. Het wrange is natuurlijk, dat mensen juist beter worden van werken.
Dat heb ik in mijn persoonlijke situatie ook ervaren. Juist terug zijn op de werkvloer is enorm belangrijk voor geestelijk en lichamelijk welzijn.

Een van onze speerpunten als FNV is bestaanszekerheid voor iedereen.

Werk is het beste medicijn. Anders voel je je afgedankt. Je verdient je eigen geld niet, je bent structuur kwijt, er is geen reden om op te staan, om je dag vorm te geven. Je vereenzaamt. Een van onze speerpunten als FNV is bestaanszekerheid voor iedereen. De hele Flexmarkt is ons daarom een doorn in het oog, dat geldt al helemaal voor mensen die op afroep beschikbaar moeten zijn. De tweede pijler waar wij ons hard voor maken, is simpelweg een menswaardige samenleving. Dat iedereen mag zijn, wie hij is.

Zo is het, mentale problematiek is al te menselijk.
Dat klopt, daarom maak ik er geen geheim van dat het met mij wel eens geestelijk minder gegaan is. Het stigma moet er echt vanaf. Niet alleen voor de zieken, ook voor hun naaste familie. Het is natuurlijk waanzin dat we er niet over praten.

Toen ik opgenomen was, zat ik tussen perfect normale mensen. Alleen, we waren allemaal even óp. Veel mensen hadden, net als ik, op de een of andere manier met verlies te maken gehad. Verlies was echt een rode draad. Dat zijn geen zaken waar je je voor zou hoeven te schamen. Maar in die positie word je wel gedrukt op dit moment. Zeker op de werkvloer.

Toen ik opgenomen was, zat ik tussen perfect normale mensen. Alleen, we waren allemaal even óp.

Je moet mensen gewoon de kans geven. Als mensen zien dat je goed bent in datgene waarvoor je aangenomen bent, wordt de rest vanzelf ondergeschikt. Niet iedereen binnen het bedrijf hoeft natuurlijk te weten, dat je opgenomen geweest bent. In die situatie heb ik zelf ook gezeten.

Maar als je bijvoorbeeld uit een burn-outsituatie komt, is het handig dat je teamleden dat weten. Het is handig om te weten dat je collega bijvoorbeeld heel erg perfectionistisch is, of lang doorgaat en geen grenzen kan stellen. Dan kan je als collega een beetje helpen, en hem of haar daarin afremmen. Zorg een beetje voor elkaar.

Wat was voor jou het grootste nadeel van thuiszitten met GGZ-klachten?
Zoals ik het heb ervaren — als je in een periode belandt dat het minder met je gaat, dat je hulp nodig hebt, op welk niveau dan ook, dan word je je ziekte. Er is niets anders meer. Mensen komen op bezoek, praten erover met je en je moet alweer vertellen hoe het gaat.

Maar daar is geen antwoord op. Als jij ingestort bent, of om een andere reden even niet geestelijk kunt functioneren, dan is er geen antwoord op de vraag: “Hoe gaat het met je?” Ja, heb je even een paar uurtjes? Maar niemand heeft die tijd. Niemand wil dat horen.

Het is fantastisch als het je lukt om weer aan het werk te komen. Dat helpt enorm.

Zo word je je ziekte. Dat geldt voor het hele ziektetraject, of je nu in de GGZ opgenomen bent of niet. Juist daarom is het fantastisch, als het je lukt om weer aan het werk te komen. Dat helpt enorm, om los te komen van alleen maar een (geestes)zieke zijn. Dan heb je je ziekte, je bent het niet meer.

Sowieso. Ik ben daar misschien heel modern in, maar ik geloof eigenlijk niet dat we een geest hebben. Die drie pond zenuwcellen in ons hoofd is gewoon onderdeel van ons lichaam.

Ik ben daar zelf ook helemaal van. Psychische aandoeningen bestaan niet. Er gaat gewoon iets flink mis in de neurotransmissie in je hersenen. Medicijnen helpen daar ook aantoonbaar voor. Mensen die beweren dat ze niet in antipsychotica geloven: doe even normaal.

Weer even terug naar dertig jaar geleden. Kun je nog wat meer vertellen over wat jou toen allemaal geholpen heeft met reïntegreren?
Het is lastig om daar precies de vinger op te leggen. Ik denk in zijn algemeenheid, dat we elkaar wat meer hielpen toen. De individualisering van de samenleving was veel minder groot. Begrippen als solidariteit, die nu volkomen verouderd klinken, waren nog vanzelfsprekend. Het werd veel gemakkelijker geaccepteerd dat je af en toe eens een stapje minder hard kon lopen.

Na mijn werk bij de UvA ben ik bij de Vrije Universiteit gaan werken. Ik was toen inmiddels alleenstaande moeder. Ik herinner me dat er regelmatig tegen mij gezegd werd, ‘joh, je kind is ziek, ga lekker naar huis. Neem gewoon de tijd.’ Kom daar tegenwoordig nog maar eens om.

Ik luisterde daar natuurlijk niet naar, en werkte mijzelf uiteindelijk over de kop. Ik had geluk, dat toen ik aan de VU in 2011 een burn-out kreeg, ik opnieuw een bedrijfsarts had, die me hielp met terugkomen. De VU koos er in die tijd nog voor, om zelf een bedrijfsarts in dienst te hebben. Dat is nu ook uitbesteed.

Dus de bedrijfsartsen moeten terug. in ieder geval bij grote bedrijven. Zou je ook kunnen denken aan bijvoorbeeld een bedrijfsarts die een paar kleine bedrijfjes onder zich heeft?
Op dat detailniveau weet ik het niet precies. Ons pleidooi is: zorg nou dat de bedrijfsarts, ook indien je hem niet opnieuw aanneemt, een veel onafhankelijker positie krijgt. Zorg dat de bedrijfsarts feitelijk zijn vak kan uitoefenen: mensen helpen te genezen.

Op dit moment schrijft de bedrijfsarts alleen nog maar adviezen aan de werkgever, en die kan ermee doen wat hij wil, ook terzijde leggen. Of hij is helemaal niet meer in beeld, omdat er allerlei casemanagers op zieke werknemers zitten. Zij zijn én niet medisch deskundig én bang dat zij niet meer ingehuurd worden als zij de werkgeversbelangen niet goed genoeg behartigen.

Zorg dat de bedrijfsarts feitelijk zijn vak kan uitoefenen: mensen helpen te genezen.

Hier zijn wij als FNV vooral op gericht, op de podia waar wij dat kenbaar kunnen maken. Bij minister, in de Stichting van de Arbeid, in trajecten van de Sociaal Economische Raad. Daar hebben wij natuurlijk ook onze positie.

Pikt de SER dat ook op?
Binnen de SER is het op dit moment geen onderwerp meer. Men weet zich niet zo goed raad met dit soort ideeën. Het is een beetje tegen de tijdgeest in. Wij worden als FNV wel eens beschuldigd van heimwee-politiek. Maar met de neoliberalisering zijn essentiële dingen overboord gegooid. Daar plukken we zo langzamerhand de wrange vruchten van.

Neem bijvoorbeeld de loonkostensubsidie. Op dit moment is deze zo ingericht, dat je als werkgever met subsidie van het rijk een werkplek kunt geven aan een arbeidsbeperkte werknemer — of dat nu psychisch of lichamelijk is. De maatregel werd ingevoerd met de afschaffing van de wet Sociale Werkvoorziening en de intrede van de Participatiewet.

Op zich was dat een lovenswaardig idee, maar het stagneert. Er gaan veel zaken niet goed. De oplossing die werkgevers aangedragen hebben, hielp werknemers echter van de wal in de sloot. Samen met staatssecretaris Tamara Van Ark (VVD) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hadden werkgeversorganisaties bedacht, dat de uitkeringen die op dit moment via de gemeente uitgekeerd worden aan de werknemer, niet meer door de werkgever geregeld zou gaan worden. Aanvullende bijstand moest maar door mensen met een arbeidsbeperking zelf aangevraagd worden. Dat is natuurlijk vragen om problemen, juist zij hebben steun en begeleiding nodig.

Het goede nieuws is nu, dat wij dat als FNV, samen met andere organisaties, van tafel hebben weten te krijgen. Het blijft dus achter de schermen voor de werknemer geregeld worden door de werkgever. De werknemer merkt daar niets van. Hij krijgt gewoon 100% het wettelijk minimumloon. We streven er nu naar, die regeling minder ingewikkeld voor werkgevers te maken.

Er komt nu ook een kloof tussen gezond en ziek.

De waarde van een samenleving, wordt wel afgemeten aan hoe we omgaan met onze allerzwaksten. Je ziet dus de waarde van de samenleving zienderogen dalen. Ik heb hier onlangs over in Trouw gepubliceerd. Het wrange is — er is al een kloof tussen arm en rijk, maar het effect van het beleid is, dat die die kloof breder en dieper wordt. Want er komt nu ook een kloof tussen gezond en ziek.

Ik heb gevallen gehoord van mensen, die nog maar net twee dagen met een gebroken been thuis zitten, en dan toch al door de werkgever worden gebeld, waar ze blijven. Want ze kunnen toch op een stoel zitten, met een been omhoog? Echt, je wilt het niet weten. Om überhaupt nog voor een uitkering in aanmerking te komen, moet je als arbeidsongeschikte eigenlijk met één been in het graf staan. De meeste mensen verdwijnen bij arbeidsongeschiktheid uiteindelijk in de bijstand. Want dat is goedkoper. In alle gradaties van ziek zijn, zie je enorme negatieve inkomens-effecten.

Waar je mijns inziens mee te maken hebt: omdat het zo ontzettend goed gaat met de meeste mensen in Nederland, zijn ze hier totaal niet mee bezig. Als je twee of drie keer per jaar op vakantie gaat, en je kinderen doen het goed, dan is dit buiten beeld.

Tot je ziek wordt.
Ja. En de lachende derde is de werkgever. Toch klagen ze steen en been. Ik zat 25 augustus met werkgeversvoorman Hans de Boer in EenVandaag, en hij bleef klagen, dat hun afdracht aan de overheid zo groot is. Hij noemde de overheid rupsje-nooit-genoeg. Doe even normaal! Wij zijn met zijn allen die overheid. Die overheid hoort ervoor te zorgen dat we bestaanszekerheid hebben, óók in de toekomst.

meer weten?

Wanneer psychische aandoeningen beter bespreekbaar zijn, kunnen werkgever en werknemer samen tot oplossingen komen. Hoe pak je dat aan? Samen Sterk zonder Stigma ontwikkelde deze tools.

Dit is het negende artikel van een serie, waarin Samen Sterk zonder Stigma in samenwerking met de ThePostOnline publiceert over hard werkende mensen met een stoornis. Lees hier de andere artikelen.