Om CORAL 2.0 goed toe te passen in je praktijk heb je wat basiskennis nodig. Ook intervisie kan behulpzaam zijn. Hoe organiseer je dat?

Voor het toepassen van de keuzehulp is enige basiskennis van stigmatisering en discriminatie en de rol van openheid op het werk van belang. Deze kennis kun je opdoen door de drie video’s op de pagina CORAL 2.0 voor professionals te bekijken.

We adviseren daarnaast intervisiebijeenkomsten te organiseren met collega-professionals rondom de keuzehulp. Intervisie kan je helpen om de keuzehulp succesvoller toe te passen in de praktijk. Bij deze intervisiebijeenkomsten kun je casuïstiek inbrengen, eventuele moeilijkheden bespreken en samen oplossingen vinden. Hieronder vind je een korte handleiding.

In het begin kost het toepassen van de keuzehulp wat extra tijd. Je hebt tijd nodig voor intervisie en om de informatie over CORAL 2.0 door te nemen en deze samen met de cliënt te bespreken. Dit vraagt van leidinggevenden om dit mogelijk te maken en hiervoor tijd binnen consulten en ruimte voor intervisie, of binnen bestaande intervisie, te maken.

intervisie

Uitgangsvraag bij de intervisiebijeenkomsten: Welke situaties hebben zich voorgedaan in de praktijk met betrekking tot openheid over psychische gezondheidsproblemen in de werkomgeving?

Het proces van intervisie bestaat uit de volgende fasen:

Voorbereidende fase

De casus wordt op papier voorbereid door de casusinbrenger, kort voorbesproken met de facilitator en rondgestuurd naar de deelnemers. De facilitator bepaalt in overleg met de casusinbrenger welke intervisiemethode wordt gebruikt.

Fase 1: Beeld vormen van de casusinbrenger in zijn werksituatie

De casusinbrenger vertelt over zijn indrukken, overwegingen en oordelen in relatie tot zijn casus. Hij verstrekt informatie over de situatie. Hij belicht zijn feitelijke waarnemingen, bewuste ervaringen en handelen als professional in die specifieke situatie. Vervolgens vragen de deelnemers de casusinbrenger om de casussituatie verder in beeld te brengen en helpen hem bij het verhelderen en definiëren van zijn rol, zijn handelen en zijn positie. De deelnemers vormen een beeld van het handelen van de casusinbrenger en geven hem dit terug. Het accent ligt hierbij op het handelen van de casusinbrenger en niet zozeer op de inhoud van de casus. Op die manier krijgt de casusinbrenger inzicht in zijn eigen manier van waarnemen, oordelen en gedrag.

Fase 2: Achtergronden van de casusinbrenger

De intervisiegroep zoekt met de casusinbrenger naar de, vaak onbewuste, achtergronden van zijn waarnemen, denken en doen. Door de achtergronden te expliciteren, is de casusinbrenger voortaan in staat bewuster te kiezen in welke mate hij zich er eigenlijk door wil laten aansturen. De casusinbrenger ontdekt nieuwe verbanden tussen zijn handelen als professional en zijn dieper gelegen opvattingen, waarden en eigenschappen.

Fase 3: Herformuleren van de casus door de casusinbrenger

In deze fase formuleert de casusinbrenger zijn vraagstuk opnieuw.

Fase 4: Kiezen van een nieuwe werkwijze

Beter dan voorheen slaagt de casusinbrenger erin zijn gewenste handelen en rollen ook daadwerkelijk te benoemen. Hierdoor kan hij voor zichzelf ‘leerpunten’ formuleren.

Fase 5: Reflectie

Iedere intervisiebijeenkomst wordt afgesloten met een reflectie op de intervisiebespreking. In de reflectiefase staan twee aspecten centraal: De resultaten van de behandeling van de casus; en de casus als leersituatie en het succes van de toegepaste methode. Aan het eind van alle intervisiebijeenkomsten wordt gereflecteerd op het hele traject van alle gehouden bijeenkomsten.

Fase 6: Verslaglegging

Om de eigen professionele ontwikkeling of de ontwikkeling van de intervisiegroep te volgen kan men notities maken. Bij de start van de volgende intervisiebijeenkomst wordt de casusinbrenger gevraagd terug te kijken op de bespreking van zijn casus en de acties die hij heeft ondernomen.